Een klein beetje geschiedenis van Bath.

Nieuws uit de archieven

Foto's uit de oude doos

 

Onderstaand twee krantenknipsels uit de PZC van jaren geleden uit het plakboek van
Jan De Held.

 

De dokter in Fort Bath door Annette Kuiper

In 1841 dreigde men de geneesheer voor de burgers in de plaats Bath en het Fort Bath te verliezen. De dichtstbijzijnde geneesheer woonde in Krabbendijke, anderhalf uur gaans. Daarom maakten de burgers in Fort Bath ook gebruik van de diensten van de militaire arts. In de ingekomen stukken van voor 1841 is daar ook materiaal over aanwezig.
Het Gemeentebestuur schrijft over dit blijkbaar grote probleem een brief aan de koning van Nederland. De brief luidt als volgt:
“Aan Zijne majesteit de koning der Nederland, prins van Oranje Nassau, Groothertog van Luxemburg etz, etz, etz
Geven met alle verschuldigde eerbied te kennen het plaatselijk bestuur van het Fort Bath en Bath dat zij adressanten in hunne vergadering met eenparigheid van stemmen besloten hebben het naarvolgende tot kennis zijner majesteit te brengen.
1ste In aanmerking genomen de tegenwoordigen toestand der gemeente met betrekking tot de geneeskundigen hulp voor de ingezetenen indien dezen uitsluiting en eenig door den burgerlijke geneeskundigen moet aangebragt en uitgeoeffend worden dan zou de minste afstand van het naast bijzijnde dorp Krabbendijke al naar zoodanige geneeskundige voorhanden is gerekend moet worden op ruim een en een half uur gaans.
2de Dat dezen verre afstand als zoodanig beschouwd de nadeeligste gevolgen heeft voor de ingezetenen en bij plotselinge ontstane en schielijke geneeskundige hulp behoevende bijna geheel negatief is daar noch daarenboven bijkomt dat de geneesheer van gemeld dorp Krabbendijke als naast bijzijnde zooals gezegd is niet altijd in de mogelijkheid verkeerd wanneer deszelfs geneeskundige hulp wordt aangevraagd om zoo dadelijk te kunnen komen om de lijders te helpen.
3de Dat de verre afstand van de naast bijzijnde geneesheer voor de ingezetenen zeer durabel en buitengewoon kostelijk is, hetgeen de menigvuldige rekeningen van tijd tot tijd ingekomen genoegzaam bewijzen kunnen waarnoch daarenboven bijkomt dat de meeste part der ingezetenen een middelmatig vermogen van bestaan hebben van gemelde geneesheer geen gebruik kunnen maken uit hoofde dat zij opgezegde afstand de hoog berekende visiten niet betalen kunnen en in dit opzigt zoude kunnen moeten gerekend worden zonder geneeskundige hulp te verkeeren.
4de Overwegende en in aanmerking genomen dat het verlies van een eigen en in de plaats wonende geneesheer eenig is veroorzaakt en toegeschreven moet worden aan het niet meer bestaan van het oude en nu verloren landstractement van fl 250,00 per jaar dat alhier in de gemeente Bath voor eene jaarwedde aan de vroed- en heelmeester gegeven werd voor een behoefte voor deszelfs bestaan dat anderzints uit hoofde van de geringe bevolking niet wel geschieden konde en welk tractement sedert den jare 1810 heeft opgehouden en sedert den jare 1815 geen geneesheer die de burgerpraktijk vreijelijk mogt uitoefenen in de gemeente gewoond heeft.
5de Dat ingevolge de circulaire van den Staatsdraad Gouverneur van Zeeland in dato 31 maart 1841 provinciaal blad nr.33 houdende mededelingen van zijner Majesteits besluit van 15 maart 1841 de bestaande vergunning aan militaire geneeskundige voor zoolang zij in active dienst zijn het uitoefenen van de burgerpraktijk voortaan uitdrukkelijk verboden is met dien verstande evenwel en met wijziging in zoo verre dat de militaire geneeskundigen geene consultaten of belangrijk heelkundige operatien bij de ingezetenen zullen mogen waarnemen dan alleen in gevallen dat zij daartoe door de burgelijken genees- of heelkundigen zelve geroepen worden zullende in dat geval het recept of voorschrift het welk de uitkomst is van de gehoude consultatien steeds door de burgelijken geneeskundigen worden opgemaakt en geschreven.
In aanmerking genomen 6de. Dat gezegde mededeling van zijner majesteits besluit door de Staatsraad Gouverneur van Zeeland bovengenoemd geenzints schijnt alzoo te moeten opgevat en verstaan worden dat in deze gemeente aan militaire geneeskundige alhier in garnizoen leggende wordt verboden het uitoefenen van burgerpraktijk in deze gemeente alwaar volstrekt geen burger geneesheer aanwezig is en in eene gemeente alwaar de naast bijzijnde geneesheer meer dan een half uur van het fort Bath verwijderd is. In eene gemeente alwaar de behoeftige klasse volstrekt geen gebruik van gemelde geneesheer van Krabbendijke maken kunnen die echter de naast bijzijnde is en indien in noodzakelijke omstandigheden dezen geen gebruik zoude mogen maken van een Officier van Gezondheid in garnisoen leggende alzoo danig onmiddellijk zoude moeten wegsterven welke noodlottige omstandigheden ook de gegoeden ingezetene te beurt kan vallen wanneer namentlijk alhier uitoefenen van geneeskundige dienst aan de Officieren van Gezondheid alhier te fort Bath geplaatst volstrekt verboden is zonder eenige reserve.
Zoo is besloten om aan Zijne Majesteit met alle gepaste eerbied te kennen te geven dat als noch in deze gemeente de onmogelijkheid bestaat om met de gewenschte gevolgen een burgerlijke geneeskundige heel- en vroedmeester te kunnen beroepen uit aanmerking de gemeente geen jaarlijksche geldelijke bijdrage van tweehonderd vijftig gulden doen kan hetgeen noodig gedacht werd in een gemeente van tweehonderdvijfenvijftig zielen een behoorlijk bestaan te vinden. Om even zoolang geen geneesheer hier of in het nader bijzijnde dorp Rilland voorhanden is en van de Officieren van Gezondheid in garnisoen leggende te fort Bath zoodanige geneeskundig gebruik te mogen maken bij voortduring als van alle ingezetene  durig verlangd werd of zoo als zijne majesteit anders zal gelieve te bepalen”.
Aan het verhaal kwam een goed einde. Het bestuur kreeg namelijk toestemming om toch gebruik te mogen maken van de militaire geneesheer.

 

Bron: Ingekomen stukken en minuten van uitgaande stukken 1841, -214 en ongenummerd stuk d.d. 8-7-1841

 

Cafébezoek in Fort Bath door Annette Kuiper

In de ingekomen stukken van het jaar 1841 komt een stuk voor betreffende veelvuldig cafébezoek.
Toen de staat van beleg, ingesteld in 1834, rond dit fort werd opgeheven, ging de politie over naar de burgerlijke autoriteiten. Dat noopte de commandant van het fort in 1841 tot het schrijven van de volgende brief:
“Sedert  de opheffing der staat van beleg van dit fort, de policie is overgegaan aan de burgerlijke autoriteit en wel gedurende de tijd dat ik de eer heb alhier het bevel te voeren, hebben zich onderscheiden militairen van de bezetting van dit fort des avonds en wel na de Taptoe, aan de ongeregeldheden schuldig gemaakt waarvoor zij hunnen verdiende straf hebben ondergaan dan bij een nauwkeurig gedaan onderzoek is mij gebleken dat de oorzaken dier ongeregeldheden veelal te zoeken zijn doordien de herbergiers binnen dit fort goedvinden om burgers, schipper, matrozen enz. tot laat in den nacht te tappen en deze personen zich veelal aan luidruchtigheid bestaande in zingen, schreeuwen enz. overgeven waardoor de soldaten in de kazerne in hunne nachtrust worden gestoord en door dat zingen enz. als zijnde de meeste herbergiers of drinkwinkels in de nabijheid van de kazerne geplaatst in verzoeking worden gebragt om de kazerne tegen de bestaande reglementen te verlaten, welke ongeregeldheid niet genoegzaam kan worden tegengegaan, tenzij de herbergen ingevolge het waarschijnlijk ook hier bestaand reglement van politie zoo als zulks ook in andere welgeordende gemeenten plaats heeft zoo voor burgers als militairen op een bepaald uur worde gesloten en dat zich daaraan niemand onderwelke voorwendsel ook kunne onttrekken en deze maatregel ten strengste worde gehandhaafd waartoe ik volgaarne op de eerste aanvrage mijne medewerking aanbieden. Het bestaan van een goede politie is naar mijn wijze van zien zeer noodzakelijk en wel bijzonder wijl het fort Bath sedert de afscheiding van België meer dan vroeger als eene militaire positie of grenspost kan worden beschouwd, ik twijfel ook geenszins of U edelachtbare stemt met mij in die gevoelens geheel overeen”. Aldus de majoor kommandant van het fort Bath.

Bron: Ingekomen stukken en minuten van uitgaande stukken van het gemeentebestuur 1841, nr.65 en ongenummerd 1841.

 

 

Hier onder de tekst over de geschiedenis van Bath zoals hij staat op de plaquette die op
13-11-2019 is onthuld. De tekst is geschreven door Maarten Haentjens Dekker.

Fort Bath, ‘ Sleutel der Schelde’

Het Fort Bath is gelegen op de zuidoosthoek van het eiland Zuid-Beveland. Op 18 oktober 1785 kreeg Generaal du Moulin van de Raad van State opdracht om een geschikte plaats voor een fort te zoeken. Op 4 januari 1786 kwam hij met het voorstel om een nieuw fort aan de Batse Kaaij te bouwen. Dat was geen nieuw plan. In 1747 hadden namelijk de commandanten van het garnizoen te Goes, Dominicus en graaf van Hompesch al het idee geopperd om een fort op het schor van Bath te bouwen. De geograaf Hattinga had deze batterij zelfs op een kaart uit 1753 getekend. Bij resolutie 28 maart 1786 werd de aanbesteding van het grondwerk goedgekeurd. Het uitvoerende werk werd gedaan door kapt.ing. S.J.de Freytrag. In 1787 volgde de aanbesteding van de militaire gebouwen. De niet-militaire gebouwen werden op last van Gecommitteerde Raden van Zeeland gebouwd. Het fort was groot genoeg om driehonderd soldaten en personeel te huisvesten.
Inwoners van Lillo en Liefkenshoek konden op voordelige voorwaarden een huis bouwen binnen het fort. Zij hoefden de eerste veertien jaar geen belasting te betalen.

De doeleinden van het fort waren de volgende:
1. ’Sleutel der Schelde’; het bewaken of belemmeren van de scheepvaart van en naar Antwerpen.
2. Het beschermen van oostelijk Zuid-Beveland.
3. zetel voor het comptoir van ontvangst der inkomende rechten (tolheffing op de sinds 1585 fiscaal afgesloten Schelde).

 

Geschiedenis van het Fort.
1794 De Nederlandse militairen waren nog maar een paar jaar gelegerd in het nieuwe fort of de Franse bezetting van Nederland volgde. In de Franse tijd werd het fort verbeterd en versterkt.
1809 In Antwerpen werd een Franse oorlogsvloot gebouwd om Engeland aan te vallen. De Engelsen probeerden dit te voorkomen door Antwerpen in te nemen. Bath speelde een belangrijke rol in de beoogde – en mislukte – Britse inname van Antwerpen. De Leuvense pruikenmaker en chroniqueur Jan-baptist Hous meldde in verband hiermee: ‘Op 8 augustus is er de hele morgen geschoten. Men kon het hier in Leuven heel duidelijk horen. Het was op het fort Bath.’ Via land stoten de Engelsen na hun landing op Walcheren door tot in Zuid-Beveland. De Hollandse troepen onder generaal Bruce hadden het fort verlaten en het fort werd grotendeels door de Engelse troepen verwoest. In  dat zelfde jaar nog werden de Engelsen door het leger van Lodewijk Napoleon en de ’Zeeuwse griep’ verslagen. De Hollandse/Franse troepen keerden terug en de Fransen herstelden een deel van het fort.
1810 Nederland werd deel van Frankrijk, het Eerste Franse Keizerrijk. Napoleon kroonde zich tot keizer en Zeeland werd gedoopt tot ‘Departement van de Monden van de Schelde’. Onder zijn directe bewind werd het fort weer in ere hersteld.
Op 29 september 1811, op doorreis van Vlissingen naar Antwerpen, bezoekt Napoleon het Fort Bath, Hij arriveert om 7 uur ’s avonds, om aldaar de werken te bezichtigen.” (uit: Napoleon in Nederland 1811-2011’).
 1814 Met het uiteenvallen van het Eerste Franse keizerrijk verlieten de Fransen het fort .

 

 

1830 Tijdens de Belgische Revolutie kreeg het fort weer een militaire bezetting. In 1830/31 werd het opnieuw gemoderniseerd. Langs de niet door dijken omsloten delen kwam een buitengracht met enveloppe. Het westelijke bastion werd afgegraven. de overige gemoderniseerd. Buiten het fort kwamen achter een waterhindernis aan de Oude Bathse Kaaij twee lunetten met geschut. Het werk werd gecompleteerd met enkele batterijen op de oostpunt van de Reigersbergsche Polder en op de zeedijk bij het fort.
1839 Nederland en België sluiten het Verdrag van Londen. Dankzij deze vrede werd Fort Bath overbodig. Opheffing geschiedde bij Koninklijk Besluit van 29 mei 1867. Alleen het Douanekantoor bleef tot 1953 actief.
1939 het fort werd opgenomen in de Bathstelling, deze had de intentie de toegang tot Zuid-Beveland af te sluiten. In datzelfde jaar was ook nog opdracht gegeven voor de bouw van zeven gevechtsopstellingen aan de dijk van de Bathpolder tussen de Kreekrakdam en het kustlicht bij Bath. Een ander onderdeel van deze stelling was de inundatievlakte ten noorden van Bath, de enige op Zuid-Beveland. Op 10 mei werd het bevel tot inundatie gegeven, maar door de lage waterstand kreeg men het gebied niet onder water. Toen de Duitse troepen op 14 mei 1940 bij de stelling aankwamen was deze zo goed als verlaten. Na een artilleriebeschieting in de avond gaven de laatste nog aanwezige manschappen zich over. Voor de overgave wilden ze in het raadhuis van Rilland nog enige documenten en kaarten verbranden, maar hierbij ging ook het raadhuis in vlammen op.
Bath heeft in 1944 tijdens de strijd om de Kreekrakdam veel geleden.

 

Overblijfselen van het fort.
Van het roemruchte fort is nu nog alleen de omtrek terug te vinden. De wallen en grachten van het fort zijn verdwenen; het tracé is aan de noord- en oostzijde van Bath nog in het terrein te herkennen.
Hedendaagse straatnamen als Kazerne-, Arsenaal- Lillo- en Walstraat herinneren nog aan de vroegere functie.
In het fort waren militaire gebouwen aanwezig, zoals een kruitmagazijn, kazematten, kazernes, arsenalen en woningen voor de commandant en de magazijnmeester.
Daarnaast nog éénentwintig particuliere woningen, een kerk, een predikantswoning en een school.
Op dit moment zijn er nog 2 gebouwen uit het toenmalige fort aan te wijzen. Het Arsenaal, waar o.a. buskruit  werd opgeslagen. De sluitsteen boven de ingang markeert het jaartal van de bouw van het fort, 1787.  Halverwege de Arsenaalstraat in ziet U op de hoek een rechthoekig gebouw. Soldaten hebben hun naam of initialen in de muur gekrast, naar men zegt in 1944, tijdens de slag om de Schelde. Overige herkenbare restanten van het Fort ziet U op het einde van de pier van Bath, daar liggen grote regendorpels en paalhoofden van arduin onder op het slik en boven op het plateau. Recycling is niet alleen van deze tijd!

Legende
‘De veerman van Reimerswaal (een stad die in de 16e eeuw is verdronken, red.) heeft het dikwijls verteld aan zijn kleinkinderen en in de herbergen van Beveland is het een schier versleten legende: het verhaal van straf voor de lichtzinnige boeren van Bath. In oude tijden was de Honte nog zo smal dat geliefden van twee overkanten elkaar konden aanroepen. Aan de Vlaamse kant van de rivier die nu Westerschelde heet, heerste armoe, maar aan de Bevelandse zijde lagen de akkers er weelderig bij. Daar leefden de boeren op hun grote hoeven in overvloed.
Wat overkwam de Batse boeren? De veerman: "Toen ze het zo bont maakten dat het hemelschreiend werd, maakte God zelve een eind aan hun hoogmoed en eigenwaan. Hij deed de Honte zwellen en joeg het water hoog tegen de dijken zodat ze braken. De vloed duurde zolang tot alle Batse boeren verdronken waren en er van hun weelderige hoeven niets meer te vinden was. Sinds die tijd bleef de Honte een brede en dikwijls boze stroom, als een waarschuwing voor het Bevelandse volk om zich niet al te overmoedig te gedragen." (NL44, 5-1990).

Het dorp Bath, vroeger en nu
Het fort ontwikkelde zich tot het dorp Bath. De Hervormde gemeente Fort-Bath Rilland ontstond in 1791, en er werd een kerk gebouwd.  De kerk diende als magazijn tijdens de bezetting van de Engelsen.  Naast het krijgsgeweld gaf het ontbreken van een deugdelijke pastorie ook de nodige problemen.
In 1829 kon er een nieuw kerkgebouw in gebruik worden genomen. Zes domaniale gebouwen waren omgebouwd tot kerk, pastorie en consistorie. 
In die tijd telde Bath 190 civiele inwoners. Zij verdienden de kost met handel, visserij en landbouw.

Kerk Verhuisd, Bath-Rilland wordt Rilland-Bath
De bevolking van Rilland groeide echter sneller dan de bevolking van het bij het fort ontstane dorp Bath. Het was dan ook niet verwonderlijk dat een aantal gemeenteleden uit Rilland een verzoek richtte aan de kerkvoogdij om de kerk over te plaatsen van Bath naar Rilland.  Dit stuitte op veel verzet van de Bathsenaren. Echter, op zondag 27 september 1891, zes jaar na het eerste verzoek, kon de eerste kerkdienst op Rilland gehouden worden. Het kerkgebouw in Fort Bath was inmiddels afgebroken en zonder toren weer opgebouwd in Rilland. De Hervormde gemeente Bath-Rilland heette voortaan Rilland-Bath. Deze verplaatsing had ook een schaduwzijde. Veel Bathsenaren zegden ten gevolge van deze verplaatsing hun lidmaatschap van de Hervormde gemeente op en stichtten de Vrije Evangelische gemeente te Bath. Bron: Zeeuws Archief

 

Toen Beveland nog niet met brug met Brabant verbonden was vertrok er vanuit Bath er een overzetveer op Tholen, op Bergen op Zoom en Ossendrecht.

Watersnood 1953
Tijdens de rampnacht van 1 februari  werd de burgemeester dhr. Josephus de Goffau om 3:30 opgebeld door dhr J. Walraven uit Bath.Hij meldde dat de situatie aan de dijk bij Bath zeer ernstig was. De burgemeester liet vervolgens de noodklok luiden en charterde een bus en een taxi om de bevolking van Bath in veiligheid te kunnen brengen. Bij aankomst brak net de dijk door. Daarbij zijn De Goffau en waterstaatkundig opzichter Adrie Cijsouw verdronken. Ook 10 andere inwoners van de dorpen Rilland en Bath lieten het leven. (uit: staatspareltjes.nl) . Na drie pogingen werd het ‘Gat bij Bath’ gedicht. Wat hielp was een oud schip dat als verstevinging in de dijk werd gegraven. Het meer achter de dijk is ontstaan door de dijkdoorbraak.

Na de watersnood werden de douaneactiviteiten opgeheven en is het douanekantoor op de dijk gesloopt. Het overzetveer op Tholen, Bergen op Zoom en Ossendrecht eindigde al met de bouw van de brug die Beveland met Brabant verbind

Zo werd het steeds rustiger in het dorp en Batsenaren wonen er tot op heden dage in alle vrede en tevreden. In 2025 zal de buurtvereniging 100 jaar bestaan. Met eigen handen is er hier een eigen buurthuis gebouwd waar altijd weer wat georganiseerd wordt.

Bath blijft spannend
Is het dorp rustiger geworden, op het water wordt het steeds drukker, de ladingen groter en inhoud gevaarlijker. Mogelijke scheepsrampen hangen altijd in het achterhoofd van de inwoners. Men zegt wel dat in het ‘Nauw van Bath’ den duvel in het water zit. Om de zoveel tijd is het hier weer raak, getuige het in 2009 uitgegeven boek ‘De Duvel zit in het Water’ van Cor Heijkoop. De grootste ramp op de Westerschelde was de botsing tussen de Miraflores en Abadesa, twee olietankers in 1963. De Miraflores vloog in brand en er overleden 9 bemanningsleden. In de zomer van 2017 strandde eerst een 400 meter lang containerschip, de Jupiter aan de dijk, Bath werd overspoeld met ramptoeristen, zodanig dat de burgemeester de noodtoestand uitriep omdat alle wegen vast zaten! Een maand later weer raak, de olietanker ‘Seatrout’ die na aanvaring aan de dijk strandt.

Cafe Land en Scheldezicht
Ramp- en gewone toeristen konden tot de zomer van 2009 terecht in café Land- en Scheldezicht dat al bestond sinds 1823.  Kort na sluiting van deze gelegenheid is het pand gesloopt. Land- en Scheldezicht was een van de laatste huiskamercafés in Zeeland. De toog was amper drie barkrukken breed. Op de tafels rond het biljart lagen pluchen tafelkleden, terwijl de vensterbanken waren opgesierd met koperen scheepslampen. Nog steeds vragen voorbijgangers waar het cafe gebleven is.

Ook leuk om te lezen: Een kleine eeuw Fort Bath, 1787-1867

 

Hier onder een stukje geschiedenis zoals ik het op het internet heb gevonden.


Bath (Nederland)

51° 24′ NB, 4° 13′ OL

Bath is een klein dorp in de gemeente Reimerswaal, in de Nederlandse provincie Zeeland. Per 1 januari 1816 werd de gemeente Bath ingesteld (ook wel genoemd: Fort-Bath en Bath), deels ontstaan uit de eerder bestaande gemeente Rilland en Bath. Per 1 januari 1878 ging Bath op in de gemeente Rilland-Bath. De plaats heeft 90 inwoners (2004).

Geschiedenis
Bath was vanaf 1442 een zelfstandige parochie, tot het samen met Agger en Hinkelenoord, in 1552 verdronk. Het kerngebied van Bath, waar ook de parochiekerk zou verrijzen, was al voor 1200 bedijkt. De kerk van Bath was in het bezit van het kapittel van Oudmunster te Utrecht. Bij de beruchte St.-Felixvloed van 5 november 1530 bleven Bath en omgeving gespaard. Bij de daaropvolgende vloed van 2 november 1532 liepen echter ook de polders van Agger, Bath en Hinkelenoord onder. Volgens de kroniek van Jan Jansse *Reigersberg (1551) verdronken toen in sommige nieuwe polders van Bath, Hinkelenoord en [Nieuwlande] ‘veel volcx die in hutkens ende keetkens woonden.’ De St.-Pontiaansvloed van januari 1552 bracht het einde. De ruïneuze toren van Bath stond nog lange tijd als baken en oriëntatiepunt overeind, getuige een aantal afbeeldingen uit de 17de en 18de eeuw.

De Tegenwoordige Staat van Zeeland meldde in 1753 de aanwezigheid van ‘zeer veel Voorland en breede Gorsingen, inzonderheid de Schorren van Rilland, en Bats, verdronken Ambagtsheerlykheden, die zig over meer dan 1781 Gemeten uitstrekken, en waar op veele Schapen worden geweid.’
Na de bedijking in 1773 van de Reigersbergsche polder werd in 1786 ten zuidoosten van deze polder het fort Bath gebouwd, waarbij het nieuwe dorp Bath ontstond. In 1876 werden Bath en Rilland tot de gemeente Rilland Bath samengevoegd. Bath heeft in 1944 tijdens de strijd om de Kreekrakdam veel geleden. In de rampnacht van 31 januari/1 februari 1953 is het dorp evenals Rilland ondergelopen door het bezwijken van de Westerscheldedijk. In 1968 zijn bij werkzaamheden voor de aanleg van het Schelde-Rijnkanaal, op de schorren nabij het vervallen haventje 'De geul van het paviljoen', overblijfselen aangetroffen van het oude (verdronken) Bath, muurresten van de kerk en menselijke skeletten. Een immateriële herinnering aan het oude Bath is een aan deze plaats verbonden meerminsage. Zeemeerminnen die de ondergang van steden en dorpen aankondigden waren in de Scheldedelta met haar vele vloeden een uitstekend gedijende zwerfsage ([volksverhalen]). Behalve aan Bath zijn dergelijke sagen in Zeeland verbonden met onder andere Westenschouwen (de bekendste), Reimerswaal en Saafthinge.

Fort Bath
Op 18 oktober 1785 kreeg Generaal Dumoulin van de Raad van State opdracht om een geschikte plaats voor een fort te zoeken. Begin 1786 kwam hij met het plan om deze aan de Batse Kaaij te bouwen. Na het uitvoeren van de grondwerkzaamheden werd in 1787 begonnen met de bouw van de militaire gebouwen zoals een kruitmagazijn, kazematten en kazernes. Deze waren groot genoeg om een bezetting van 300 militairen te huisvesten. Het fort kreeg twee belangrijke taken, namelijk de bewaking of belemmering van de scheepvaart van en naar Antwerpen en de bescherming van oostelijk Zuid-Beveland. Hier werd ook een douanekantoor gevestigd om schepen die van of naar Antwerpen voeren belasting te laten betalen. In augustus 1809 werd het fort door de Engelsen, in de Walcherenexpeditie, ingenomen. Generaal Bruge had het fort voor die tijd verlaten en de Engelsen konden het zonder strijd binnentreden. Op 24 augustus vertrokken de Engelsen, maar alle bewapening was meegenomen of vernietigd. In 1813 kwam het fort in handen van de Fransen en pas na de Vrede van Parijs (1814), trokken zij zich terug. In 1828 werd het fort versterkt, maar dit kreeg nog een extra impuls na de Belgische revolutie in 1830. Eerst werd de zijde aan de Westerschelde verbeterd en vervolgens de landzijde. In 1833 woonden er 190 mensen in Bath die actief waren in de handel, visserij en landbouw. In 1839 sloten Nederland en België het Verdrag van Londen. Dankzij de neutraliteitspolitiek nam de noodzaak voor het fort af en in 1876 werd het opgeheven. Alleen een douanepost bleef over, die nog tot 1953 zou blijven bestaan. Alleen de omtrek van het fort is nog terug te vinden; bebouwing, aarden wallen en de grachten zijn verdwenen.

Bathstelling
In 1939 werd het fort nog opgenomen in de Bathstelling, deze had de intentie de toegang tot Zuid-Beveland af te sluiten. In datzelfde jaar was ook nog opdracht gegeven voor de bouw van zeven gevechtsopstellingen aan de dijk van de Bathpolder tussen de Kreekrakdam en het kustlicht bij Bath. Een ander onderdeel van deze stelling was de inundatievlakte ten noorden van Bath, de enige op Zuid-Beveland. Op 10 mei werd het bevel tot inundatie gegeven, maar door de lage waterstand mislukte het om het gebied onder water te zetten. Toen de Duitse troepen op 14 mei 1940 bij de stelling aankwamen was deze zo goed als verlaten. Na een artilleriebeschieting in de avond gaven de laatste nog aanwezige manschappen zich over. Voor de overgave wilden ze in het raadhuis van Rilland nog enige documenten en kaarten verbranden, maar hierbij ging ook het raadhuis in vlammen op. Een deel van de Nederlandse militairen had zich teruggetrokken achter de meer naar het westen gelegen Zanddijkstelling.



Zicht op Bath
Bath heeft ook een kerk. Bijzonder hieraan is dat de dorpskerk hier een Vrije Evangelische Gemeente is. Waarschijnlijk is dit de enige plaats in Nederland waar de dorpskerk evangelisch is. Deze gemeente ontstond in 1888 toen de hervormde kerk verplaatst werd naar Rilland. De gemeente sloot zich in 1910 aan bij de Bond van Vrije Evangelische Gemeenten.

Wapen
Volgens de wapenkaart van Smallegange (1696) voerde het oude dorp Bath een vleermuis en vijf sterren van zilver op een rood veld. Dit was waarschijnlijk een sprekend wapen (Eng. bat betekent vleermuis). Op het einde van de 18de eeuw werd door Gecommitteerde Raden van Zeeland aan de commandant van het fort Bath het oude zegel van het fort Lillo ten gebruike toegezonden en dit wapen werd op 18 december 1819 voor de gemeente Fort-Bath bevestigd. De badkuip is waarschijnlijk een woordspeling op de naam Bath, terwijl de lindeboom met de twee duiven het wapen is van Lillo, volksetymologisch verklaard als: lindelo of lindebos.

Bron: Wikipedia en Encyclopedie van Zeeland


 

 

Van de leden, door de leden....