Een klein beetje geschiedenis van Bath.

Hier onder de tekst over de geschiedenis van Bath zoals hij staat op de plaquette die op
13-11-2019 is onthuld. De tekst is geschreven door Maarten Haentjens Dekker.

Fort Bath, ‘ Sleutel der Schelde’

Het Fort Bath is gelegen op de zuidoosthoek van het eiland Zuid-Beveland. Op 18 oktober 1785 kreeg Generaal du Moulin van de Raad van State opdracht om een geschikte plaats voor een fort te zoeken. Op 4 januari 1786 kwam hij met het voorstel om een nieuw fort aan de Batse Kaaij te bouwen. Dat was geen nieuw plan. In 1747 hadden namelijk de commandanten van het garnizoen te Goes, Dominicus en graaf van Hompesch al het idee geopperd om een fort op het schor van Bath te bouwen. De geograaf Hattinga had deze batterij zelfs op een kaart uit 1753 getekend. Bij resolutie 28 maart 1786 werd de aanbesteding van het grondwerk goedgekeurd. Het uitvoerende werk werd gedaan door kapt.ing. S.J.de Freytrag. In 1787 volgde de aanbesteding van de militaire gebouwen. De niet-militaire gebouwen werden op last van Gecommitteerde Raden van Zeeland gebouwd. Het fort was groot genoeg om driehonderd soldaten en personeel te huisvesten.
Inwoners van Lillo en Liefkenshoek konden op voordelige voorwaarden een huis bouwen binnen het fort. Zij hoefden de eerste veertien jaar geen belasting te betalen.

De doeleinden van het fort waren de volgende:
1. ’Sleutel der Schelde’; het bewaken of belemmeren van de scheepvaart van en naar Antwerpen.
2. Het beschermen van oostelijk Zuid-Beveland.
3. zetel voor het comptoir van ontvangst der inkomende rechten (tolheffing op de sinds 1585 fiscaal afgesloten Schelde).

 

Geschiedenis van het Fort.
1794 De Nederlandse militairen waren nog maar een paar jaar gelegerd in het nieuwe fort of de Franse bezetting van Nederland volgde. In de Franse tijd werd het fort verbeterd en versterkt.
1809 In Antwerpen werd een Franse oorlogsvloot gebouwd om Engeland aan te vallen. De Engelsen probeerden dit te voorkomen door Antwerpen in te nemen. Bath speelde een belangrijke rol in de beoogde – en mislukte – Britse inname van Antwerpen. De Leuvense pruikenmaker en chroniqueur Jan-baptist Hous meldde in verband hiermee: ‘Op 8 augustus is er de hele morgen geschoten. Men kon het hier in Leuven heel duidelijk horen. Het was op het fort Bath.’ Via land stoten de Engelsen na hun landing op Walcheren door tot in Zuid-Beveland. De Hollandse troepen onder generaal Bruce hadden het fort verlaten en het fort werd grotendeels door de Engelse troepen verwoest. In  dat zelfde jaar nog werden de Engelsen door het leger van Lodewijk Napoleon en de ’Zeeuwse griep’ verslagen. De Hollandse/Franse troepen keerden terug en de Fransen herstelden een deel van het fort.
1810 Nederland werd deel van Frankrijk, het Eerste Franse Keizerrijk. Napoleon kroonde zich tot keizer en Zeeland werd gedoopt tot ‘Departement van de Monden van de Schelde’. Onder zijn directe bewind werd het fort weer in ere hersteld.
Op 29 september 1811, op doorreis van Vlissingen naar Antwerpen, bezoekt Napoleon het Fort Bath, Hij arriveert om 7 uur ’s avonds, om aldaar de werken te bezichtigen.” (uit: Napoleon in Nederland 1811-2011’).
 1814 Met het uiteenvallen van het Eerste Franse keizerrijk verlieten de Fransen het fort .

 

 

1830 Tijdens de Belgische Revolutie kreeg het fort weer een militaire bezetting. In 1830/31 werd het opnieuw gemoderniseerd. Langs de niet door dijken omsloten delen kwam een buitengracht met enveloppe. Het westelijke bastion werd afgegraven. de overige gemoderniseerd. Buiten het fort kwamen achter een waterhindernis aan de Oude Bathse Kaaij twee lunetten met geschut. Het werk werd gecompleteerd met enkele batterijen op de oostpunt van de Reigersbergsche Polder en op de zeedijk bij het fort.
1839 Nederland en België sluiten het Verdrag van Londen. Dankzij deze vrede werd Fort Bath overbodig. Opheffing geschiedde bij Koninklijk Besluit van 29 mei 1867. Alleen het Douanekantoor bleef tot 1953 actief.
1939 het fort werd opgenomen in de Bathstelling, deze had de intentie de toegang tot Zuid-Beveland af te sluiten. In datzelfde jaar was ook nog opdracht gegeven voor de bouw van zeven gevechtsopstellingen aan de dijk van de Bathpolder tussen de Kreekrakdam en het kustlicht bij Bath. Een ander onderdeel van deze stelling was de inundatievlakte ten noorden van Bath, de enige op Zuid-Beveland. Op 10 mei werd het bevel tot inundatie gegeven, maar door de lage waterstand kreeg men het gebied niet onder water. Toen de Duitse troepen op 14 mei 1940 bij de stelling aankwamen was deze zo goed als verlaten. Na een artilleriebeschieting in de avond gaven de laatste nog aanwezige manschappen zich over. Voor de overgave wilden ze in het raadhuis van Rilland nog enige documenten en kaarten verbranden, maar hierbij ging ook het raadhuis in vlammen op.
Bath heeft in 1944 tijdens de strijd om de Kreekrakdam veel geleden.

 

Overblijfselen van het fort.
Van het roemruchte fort is nu nog alleen de omtrek terug te vinden. De wallen en grachten van het fort zijn verdwenen; het tracé is aan de noord- en oostzijde van Bath nog in het terrein te herkennen.
Hedendaagse straatnamen als Kazerne-, Arsenaal- Lillo- en Walstraat herinneren nog aan de vroegere functie.
In het fort waren militaire gebouwen aanwezig, zoals een kruitmagazijn, kazematten, kazernes, arsenalen en woningen voor de commandant en de magazijnmeester.
Daarnaast nog éénentwintig particuliere woningen, een kerk, een predikantswoning en een school.
Op dit moment zijn er nog 2 gebouwen uit het toenmalige fort aan te wijzen. Het Arsenaal, waar o.a. buskruit  werd opgeslagen. De sluitsteen boven de ingang markeert het jaartal van de bouw van het fort, 1787.  Halverwege de Arsenaalstraat in ziet U op de hoek een rechthoekig gebouw. Soldaten hebben hun naam of initialen in de muur gekrast, naar men zegt in 1944, tijdens de slag om de Schelde. Overige herkenbare restanten van het Fort ziet U op het einde van de pier van Bath, daar liggen grote regendorpels en paalhoofden van arduin onder op het slik en boven op het plateau. Recycling is niet alleen van deze tijd!

Legende
‘De veerman van Reimerswaal (een stad die in de 16e eeuw is verdronken, red.) heeft het dikwijls verteld aan zijn kleinkinderen en in de herbergen van Beveland is het een schier versleten legende: het verhaal van straf voor de lichtzinnige boeren van Bath. In oude tijden was de Honte nog zo smal dat geliefden van twee overkanten elkaar konden aanroepen. Aan de Vlaamse kant van de rivier die nu Westerschelde heet, heerste armoe, maar aan de Bevelandse zijde lagen de akkers er weelderig bij. Daar leefden de boeren op hun grote hoeven in overvloed.
Wat overkwam de Batse boeren? De veerman: "Toen ze het zo bont maakten dat het hemelschreiend werd, maakte God zelve een eind aan hun hoogmoed en eigenwaan. Hij deed de Honte zwellen en joeg het water hoog tegen de dijken zodat ze braken. De vloed duurde zolang tot alle Batse boeren verdronken waren en er van hun weelderige hoeven niets meer te vinden was. Sinds die tijd bleef de Honte een brede en dikwijls boze stroom, als een waarschuwing voor het Bevelandse volk om zich niet al te overmoedig te gedragen." (NL44, 5-1990).

Het dorp Bath, vroeger en nu
Het fort ontwikkelde zich tot het dorp Bath. De Hervormde gemeente Fort-Bath Rilland ontstond in 1791, en er werd een kerk gebouwd.  De kerk diende als magazijn tijdens de bezetting van de Engelsen.  Naast het krijgsgeweld gaf het ontbreken van een deugdelijke pastorie ook de nodige problemen.
In 1829 kon er een nieuw kerkgebouw in gebruik worden genomen. Zes domaniale gebouwen waren omgebouwd tot kerk, pastorie en consistorie. 
In die tijd telde Bath 190 civiele inwoners. Zij verdienden de kost met handel, visserij en landbouw.

Kerk Verhuisd, Bath-Rilland wordt Rilland-Bath
De bevolking van Rilland groeide echter sneller dan de bevolking van het bij het fort ontstane dorp Bath. Het was dan ook niet verwonderlijk dat een aantal gemeenteleden uit Rilland een verzoek richtte aan de kerkvoogdij om de kerk over te plaatsen van Bath naar Rilland.  Dit stuitte op veel verzet van de Bathsenaren. Echter, op zondag 27 september 1891, zes jaar na het eerste verzoek, kon de eerste kerkdienst op Rilland gehouden worden. Het kerkgebouw in Fort Bath was inmiddels afgebroken en zonder toren weer opgebouwd in Rilland. De Hervormde gemeente Bath-Rilland heette voortaan Rilland-Bath. Deze verplaatsing had ook een schaduwzijde. Veel Bathsenaren zegden ten gevolge van deze verplaatsing hun lidmaatschap van de Hervormde gemeente op en stichtten de Vrije Evangelische gemeente te Bath. Bron: Zeeuws Archief

 

Toen Beveland nog niet met brug met Brabant verbonden was vertrok er vanuit Bath er een overzetveer op Tholen, op Bergen op Zoom en Ossendrecht.

Watersnood 1953
Tijdens de rampnacht van 1 februari  werd de burgemeester dhr. Josephus de Goffau om 3:30 opgebeld door dhr J. Walraven uit Bath.Hij meldde dat de situatie aan de dijk bij Bath zeer ernstig was. De burgemeester liet vervolgens de noodklok luiden en charterde een bus en een taxi om de bevolking van Bath in veiligheid te kunnen brengen. Bij aankomst brak net de dijk door. Daarbij zijn De Goffau en waterstaatkundig opzichter Adrie Cijsouw verdronken. Ook 10 andere inwoners van de dorpen Rilland en Bath lieten het leven. (uit: staatspareltjes.nl) . Na drie pogingen werd het ‘Gat bij Bath’ gedicht. Wat hielp was een oud schip dat als verstevinging in de dijk werd gegraven. Het meer achter de dijk is ontstaan door de dijkdoorbraak.

Na de watersnood werden de douaneactiviteiten opgeheven en is het douanekantoor op de dijk gesloopt. Het overzetveer op Tholen, Bergen op Zoom en Ossendrecht eindigde al met de bouw van de brug die Beveland met Brabant verbind

Zo werd het steeds rustiger in het dorp en Batsenaren wonen er tot op heden dage in alle vrede en tevreden. In 2025 zal de buurtvereniging 100 jaar bestaan. Met eigen handen is er hier een eigen buurthuis gebouwd waar altijd weer wat georganiseerd wordt.

Bath blijft spannend
Is het dorp rustiger geworden, op het water wordt het steeds drukker, de ladingen groter en inhoud gevaarlijker. Mogelijke scheepsrampen hangen altijd in het achterhoofd van de inwoners. Men zegt wel dat in het ‘Nauw van Bath’ den duvel in het water zit. Om de zoveel tijd is het hier weer raak, getuige het in 2009 uitgegeven boek ‘De Duvel zit in het Water’ van Cor Heijkoop. De grootste ramp op de Westerschelde was de botsing tussen de Miraflores en Abadesa, twee olietankers in 1963. De Miraflores vloog in brand en er overleden 9 bemanningsleden. In de zomer van 2017 strandde eerst een 400 meter lang containerschip, de Jupiter aan de dijk, Bath werd overspoeld met ramptoeristen, zodanig dat de burgemeester de noodtoestand uitriep omdat alle wegen vast zaten! Een maand later weer raak, de olietanker ‘Seatrout’ die na aanvaring aan de dijk strandt.

Cafe Land en Scheldezicht
Ramp- en gewone toeristen konden tot de zomer van 2009 terecht in café Land- en Scheldezicht dat al bestond sinds 1823.  Kort na sluiting van deze gelegenheid is het pand gesloopt. Land- en Scheldezicht was een van de laatste huiskamercafés in Zeeland. De toog was amper drie barkrukken breed. Op de tafels rond het biljart lagen pluchen tafelkleden, terwijl de vensterbanken waren opgesierd met koperen scheepslampen. Nog steeds vragen voorbijgangers waar het cafe gebleven is.

Ook leuk om te lezen: Een kleine eeuw Fort Bath, 1787-1867

 

Hier onder een stukje geschiedenis zoals ik het op het internet heb gevonden.


Bath (Nederland)

51° 24′ NB, 4° 13′ OL

Bath is een klein dorp in de gemeente Reimerswaal, in de Nederlandse provincie Zeeland. Per 1 januari 1816 werd de gemeente Bath ingesteld (ook wel genoemd: Fort-Bath en Bath), deels ontstaan uit de eerder bestaande gemeente Rilland en Bath. Per 1 januari 1878 ging Bath op in de gemeente Rilland-Bath. De plaats heeft 90 inwoners (2004).

Geschiedenis
Bath was vanaf 1442 een zelfstandige parochie, tot het samen met Agger en Hinkelenoord, in 1552 verdronk. Het kerngebied van Bath, waar ook de parochiekerk zou verrijzen, was al voor 1200 bedijkt. De kerk van Bath was in het bezit van het kapittel van Oudmunster te Utrecht. Bij de beruchte St.-Felixvloed van 5 november 1530 bleven Bath en omgeving gespaard. Bij de daaropvolgende vloed van 2 november 1532 liepen echter ook de polders van Agger, Bath en Hinkelenoord onder. Volgens de kroniek van Jan Jansse *Reigersberg (1551) verdronken toen in sommige nieuwe polders van Bath, Hinkelenoord en [Nieuwlande] ‘veel volcx die in hutkens ende keetkens woonden.’ De St.-Pontiaansvloed van januari 1552 bracht het einde. De ruïneuze toren van Bath stond nog lange tijd als baken en oriëntatiepunt overeind, getuige een aantal afbeeldingen uit de 17de en 18de eeuw.

De Tegenwoordige Staat van Zeeland meldde in 1753 de aanwezigheid van ‘zeer veel Voorland en breede Gorsingen, inzonderheid de Schorren van Rilland, en Bats, verdronken Ambagtsheerlykheden, die zig over meer dan 1781 Gemeten uitstrekken, en waar op veele Schapen worden geweid.’
Na de bedijking in 1773 van de Reigersbergsche polder werd in 1786 ten zuidoosten van deze polder het fort Bath gebouwd, waarbij het nieuwe dorp Bath ontstond. In 1876 werden Bath en Rilland tot de gemeente Rilland Bath samengevoegd. Bath heeft in 1944 tijdens de strijd om de Kreekrakdam veel geleden. In de rampnacht van 31 januari/1 februari 1953 is het dorp evenals Rilland ondergelopen door het bezwijken van de Westerscheldedijk. In 1968 zijn bij werkzaamheden voor de aanleg van het Schelde-Rijnkanaal, op de schorren nabij het vervallen haventje 'De geul van het paviljoen', overblijfselen aangetroffen van het oude (verdronken) Bath, muurresten van de kerk en menselijke skeletten. Een immateriële herinnering aan het oude Bath is een aan deze plaats verbonden meerminsage. Zeemeerminnen die de ondergang van steden en dorpen aankondigden waren in de Scheldedelta met haar vele vloeden een uitstekend gedijende zwerfsage ([volksverhalen]). Behalve aan Bath zijn dergelijke sagen in Zeeland verbonden met onder andere Westenschouwen (de bekendste), Reimerswaal en Saafthinge.

Fort Bath
Op 18 oktober 1785 kreeg Generaal Dumoulin van de Raad van State opdracht om een geschikte plaats voor een fort te zoeken. Begin 1786 kwam hij met het plan om deze aan de Batse Kaaij te bouwen. Na het uitvoeren van de grondwerkzaamheden werd in 1787 begonnen met de bouw van de militaire gebouwen zoals een kruitmagazijn, kazematten en kazernes. Deze waren groot genoeg om een bezetting van 300 militairen te huisvesten. Het fort kreeg twee belangrijke taken, namelijk de bewaking of belemmering van de scheepvaart van en naar Antwerpen en de bescherming van oostelijk Zuid-Beveland. Hier werd ook een douanekantoor gevestigd om schepen die van of naar Antwerpen voeren belasting te laten betalen. In augustus 1809 werd het fort door de Engelsen, in de Walcherenexpeditie, ingenomen. Generaal Bruge had het fort voor die tijd verlaten en de Engelsen konden het zonder strijd binnentreden. Op 24 augustus vertrokken de Engelsen, maar alle bewapening was meegenomen of vernietigd. In 1813 kwam het fort in handen van de Fransen en pas na de Vrede van Parijs (1814), trokken zij zich terug. In 1828 werd het fort versterkt, maar dit kreeg nog een extra impuls na de Belgische revolutie in 1830. Eerst werd de zijde aan de Westerschelde verbeterd en vervolgens de landzijde. In 1833 woonden er 190 mensen in Bath die actief waren in de handel, visserij en landbouw. In 1839 sloten Nederland en België het Verdrag van Londen. Dankzij de neutraliteitspolitiek nam de noodzaak voor het fort af en in 1876 werd het opgeheven. Alleen een douanepost bleef over, die nog tot 1953 zou blijven bestaan. Alleen de omtrek van het fort is nog terug te vinden; bebouwing, aarden wallen en de grachten zijn verdwenen.

Bathstelling
In 1939 werd het fort nog opgenomen in de Bathstelling, deze had de intentie de toegang tot Zuid-Beveland af te sluiten. In datzelfde jaar was ook nog opdracht gegeven voor de bouw van zeven gevechtsopstellingen aan de dijk van de Bathpolder tussen de Kreekrakdam en het kustlicht bij Bath. Een ander onderdeel van deze stelling was de inundatievlakte ten noorden van Bath, de enige op Zuid-Beveland. Op 10 mei werd het bevel tot inundatie gegeven, maar door de lage waterstand mislukte het om het gebied onder water te zetten. Toen de Duitse troepen op 14 mei 1940 bij de stelling aankwamen was deze zo goed als verlaten. Na een artilleriebeschieting in de avond gaven de laatste nog aanwezige manschappen zich over. Voor de overgave wilden ze in het raadhuis van Rilland nog enige documenten en kaarten verbranden, maar hierbij ging ook het raadhuis in vlammen op. Een deel van de Nederlandse militairen had zich teruggetrokken achter de meer naar het westen gelegen Zanddijkstelling.



Zicht op Bath
Bath heeft ook een kerk. Bijzonder hieraan is dat de dorpskerk hier een Vrije Evangelische Gemeente is. Waarschijnlijk is dit de enige plaats in Nederland waar de dorpskerk evangelisch is. Deze gemeente ontstond in 1888 toen de hervormde kerk verplaatst werd naar Rilland. De gemeente sloot zich in 1910 aan bij de Bond van Vrije Evangelische Gemeenten.

Wapen
Volgens de wapenkaart van Smallegange (1696) voerde het oude dorp Bath een vleermuis en vijf sterren van zilver op een rood veld. Dit was waarschijnlijk een sprekend wapen (Eng. bat betekent vleermuis). Op het einde van de 18de eeuw werd door Gecommitteerde Raden van Zeeland aan de commandant van het fort Bath het oude zegel van het fort Lillo ten gebruike toegezonden en dit wapen werd op 18 december 1819 voor de gemeente Fort-Bath bevestigd. De badkuip is waarschijnlijk een woordspeling op de naam Bath, terwijl de lindeboom met de twee duiven het wapen is van Lillo, volksetymologisch verklaard als: lindelo of lindebos.

Bron: Wikipedia en Encyclopedie van Zeeland


 

 

Van de leden, door de leden....